Grootschalige debtfinanced urbaniseringsprojecten dienen in de geschiedenis van het kapitalisme steeds om stagnerende groei te compenseren en surplus kapitaal te absorberen. De geschiedenis herhaalt zich: bij Haussmann ging urbanisering ook al gepaard met allerlei ondoorzichtige financiële constructies bedoeld om krediet te genereren. Zo komen met de housing bubble eigenlijk alle onderwerpen waar Harvey zich in zijn carriere over heeft gebogen bij elkaar: neo-liberale megacity Dubai meets 19th cent. Paris, capital of modernity.
Een vraag die zich wel eens eerder bij het lezen van Harvey bij me heeft opgedrongen is: hoe moet je die grote urbaniseringsprojecten politiek inschatten? Zoals het Parijs van Haussmann en het New York van Robert Moses laten zien: de enorme infrastructurele investeringen stabiliseren het kapitalistische groeiprobleem ... voor even, voegt Harvey daar altijd aan toe -- meestal zo'n 15 jaar. Daarna volgt er weer financiële crisis met daaropvolgend stagflatie etc. Is dit nu een reden om die grootschalige projecten allemaal en in alle contexten te veroordelen als vormen van kapitalistische uitbuiting? Of valt er in sommige gevallen ook wat te zeggen voor stabilisering (bv als je denkt aan China)?
Met andere woorden: Maakt het eigenlijk uit door wat voor politiek regime zulke projecten worden uitgevoerd? Is er een objectief verschil tussen een Chinese dam (autoritair staatskapitalisme) of het in de woorden van Harvey 'proto-Keynesian' 19e eeuwse Parijse project van Haussmann? En nover Keynes gesproken: wat zijn de overeenkomsten tussen die grote staatsprojecten van het Interbellum in respectievelijk Duitsland, Rusland en Amerika? (ik weet het, een voor historici maar al te gevoelig onderwerp....)
----
'Right to the City' is overigens een verwijzing naar Henri Lefebvre (Le Droit a la Ville). Harvey heeft het in zijn artikel in de New Left Review bewonderend over Lefebvre's La Revolution Urbaine (1970), waarin Lefebvre toen al voorspelde dat urbanisering de nieuwe motor van het kapitalisme zou worden (na industrialisering in eerste helft 20e eeuw) en dat daarom de structurele verschillen tussen stad en platteland snel zouden verdwijnen.
Ik heb daarop, nieuwsgierig geworden, de vertaling van Lefebvre's boek (The Urban Revolution (uit 2003)) er even bij gepakt. De inleiding is van Neil Smith. Lefebvre's boek zou een soort mix zijn van ideeen uit het situationisme en de post-industrial society discussie. Smith ontneemt je in zijn inleiding trouwens onbedoeld alle lust om het boek nog te gaan lezen. "Recognizing that Lefebvre rarely if ever provides a linear argument, these nonetheless have to be taken seriously." Aan Frans jargon vol Heideggerismen begin ik niet meer.
Frappant detail: Lefebvre's boek werd bij verschijnen vanuit de linkse hoek zwaar bekritiseerd. En de meest prominente kritiek kwam van Manuel Castells en ene ... David Harvey (!!).
Castells, toen nog dogmatisch marxist, bekritiseerde:
-Lefebvre's romantisch utopisme: de gedachte dat met de groei van urbaniteit een nieuw 'quotidian environment' zou ontstaan met daarin nieuwe vormen van verlangen en mens-zijn.
-dat het 'urbane' geen wetenschappelijk object in stricte zin is.
-en, ahem, dat de communistische partijlijn van basis/bovenbouw geweld werd aangedaan.
Harvey, op dat moment in Baltimore werkend aan zijn Social Justice and the City (1973), bekritiseerde Lefebvre's idee dat met volledige urbanisering de industriële productiekrachten van minder belang zouden worden.
Maw: het eeuwige gebrek aan politieke economie in de Franse theorie.
Dat was 1970. Er is in sommige opzichten weinig nieuws onder de zon. Maar ook een Harvey wordt dus milder op z'n oude dag!
Reclaim the streets, oh yeah!