20.6.07

Knallhart

Knallhart (regie Detlev Buck).

Deze film lijkt enigszins onopgemerkt aan Nederland voorbij te gaan. Het is soms moeilijk te begrijpen wat de massa in zo grote getale naar de ene film drijft (Gegen die Wand) en dan niet naar iets soortgelijks. Ook in Knallhart vinden we de Grossstadts-blues. Zeer dramatisch, maar niet té melodramatisch.

Het verhaal speelt zich af in de Berlijnse achterstandswijk Neukölln, waar een middelbare scholier gaandeweg in de criminaliteit verzeild raakt. Als je de plot samenvat blijft er weinig van over, maar gold dat ook niet voor Gegen die Wand? Het geheim van de film schuilt in de natuurlijke, onnadrukkelijke manier van vertellen over de problemen in de multiculturele samenleving. Steeds als je even bang bent dat het toch de verkeerde kant op gaat, richting melodrama of cliché, verrast de film je door een kleine wending of een keuze voor realisme.

De film is down to earth. En nog belangrijker: geweld wordt níet ge-glamouriseerd.

Nederlandse filmmakers, doe er uw voordeel mee.

15.6.07

muzikale tijdgeest

De hype is true. Digitalism, Idealism hakt er lekker in.

Hetzelfde terrein als Daft Punk: de disco invloed, het trucje met de filters, de synth arpeggio's. Maar waar Daft Punk op hun laatste plaat een wel erg 'dicht' geluid produceerden, blazen Digitalism het genre weer wat lucht en vrolijkheid in: middels new wave pop!

Het palet kent ook wat meer variatie dan bij de Franse meesters: zo is de punkfunk niet onopgemerkt voorbijgegaan, en kunnen de vocalen ge-vocoderd, verknipt (de versie van The Cure's Fire in Cairo), of gewoon pop klinken. De gesamplede en digitaal bewerkte new wave gitaarloopjes van begin jaren 80 worden herkenbaar ingezet en ten volle uitgebuit. Beats en gitaar en vocalen gaan in de productie evenwichtig samen.

Dance/rockism: de binaire tegenstelling anno 2007 eindelijk achterhaald. Op nummer Anything New lijkt het of er een soort dans tussen de beide kanten plaatsvindt: een wervelende pirouette.

Prijsnummer Pogo is dan weer fraai durchkomponiert! Buitengewoon winnende vocalen die 80s new wave met een klein toefje 70s (Hall & Oates?) kruiden.

Waar Digitalism vanuit de dance naar de rock toe beweegt, werkt Vive la Fete, Jour de Chance precies andersom: electrorock die niet bedoeld is om thuis naar te luisteren. De songs klinken allemaal erg generisch, on-individueel. In feite als een soort veredelde covers: de zangeres klinkt letterlijk als imitatie van Duitse jaren 80 bands die een nummer in het Frans opnamen. Leuker is het nep-duits op het nummer Quatsch. Rock die tot dance wordt moet zich op een of andere manier van alle inhoudelijke ballast ontdoen: moet wel grappig worden.

Het verschil in ambachtelijkheid is frappant: Vive la Fete staat tot Digitalism als Simian Mobile Disco tot Justice!

resist the box

Een verleidelijke aanbieding bij het Kruidvat. De complete Bach (155 cd's boxset). De complete Mozart (170 cd's boxset). Voor een weggeefprijs. Moeten mensen niet tegen zoiets in bescherming genomen worden? Dit is een soort culturele pornografie, een te sterke prikkel voor het zenuwgestel.

Het ondenkbare: stel dat je je in zo'n box verliest en daadwerkelijk alles gaat beluisteren?

Resist the box.

Het hoogste en tegelijk minst plausibele stadium van het cd-tijdperk. Dat dit kan is toch wel het noteren waard.

Hoe snel zouden de schijfjes verrotten? Sneller dan je ze kunt afluisteren iig.

Misschien dus wel een dump-actie. Men verramstj nog even wat boxen voordat de consument middels een nieuwe hi-fi-technologie gedwongen wordt weer van voren af aan te beginnen.


--Resist the list.

De lage dollarstand en amazon.com zijn levensgevaarlijk. Hele lijsten van aantrekkelijke cds leg ik aan; urenlang heen en weer geklik, prijsvergelijken, watertanden.

Het leidt tot niets. Het is te veel.

Het afsluiten van het programma wist onherstelbaar deze sporen van verlangen.

Virtuele melancholie is ook een gevoel


--Resist the archive.

pauvre moi, die ooit kon denken: j'ai lu tous les livres...

op Pitchfork verzink je in het review-archief.

De continue stroom nieuwe reviews valt alleen nog met de meest rigoreuze arbeids-discipline bij te houden.

hong kong genrefilm

Gezien in de Hong Kong-reeks in het Filmmuseum: Exiled (regie: Johnny To) en On the Edge (regie: Herman Yau), beide uit 2006.

Twee echte genre-films uit Hong Kong. In Exiled krijgen we een wat verstilde gangsterplot; in On the Edge een grotendeels in flashback verteld verhaal over een agent die undercover gaat bij een misdadigersclan. Onontkoombaar in dit genre de patriarchale melodramatiek: het draait steeds om mannen onderling, om hun emoties, ere-codes etc. Dus is de misdaadclan voor een agent 'natuurlijk' een warmere gemeenschap -- cq extended family -- dan het bureaucratisch politieapparaat. En elke vrouw is nog een 'object' in de klassieke zin: ze is in de plot nooit actant, blijft passief; een hoer of een engel.

In beide films spelen in de hoofdrollen veel dezelfde acteurs. Het genre-systeem als zodanig opereert vermoedelijk ook als een soort extended family; een vaste crew, een vaste cast. Voor de kijker krijgt dat vaste ensemble van acteurs op een heel natuurlijke manier een vertrouwd gezicht. De persona van een acteur wordt over meerdere (maar inhoudelijk dezelfde) films opgebouwd. Hij hoeft dus nooit helemaal samen te vallen met zijn rol, maar -- en dat is een belangrijk verschil met high-budget cinema -- ook niet terug te vallen op een zwaarwegend individueel star-image. Het gaat zowel productietechnisch als inhoudelijk om een collectief en daar schuilt zeker iets utopisch in.

Een genre-systeem kan de a priori vastliggende clichés serieus nemen en ahw van binnenuit bewerken. Zo ook hier: in Exiled worden de gangsterclichés een heel klein beetje richting abstractie, melancholie, en absurdisme gemanouvreerd. In On the Edge gebruikt men de vaste patronen voor kleine psychologische variaties: bv een mafia-liefje dat nu eens niet wil verburgerlijken (en de held verwijt niet meer genoeg naar porno te kijken). Dat is allemaal niet heel revolutionair, natuurlijk. Maar het levert wel redelijk interessante films op, die populair zijn en tegelijk inhoudelijker dan wat wij in dure Tv-series te zien krijgen.

Hoe komt dat?

Het draait allemaal om misdaad, maar de films zijn niet per se op geweld gericht. Het zijn eigenlijk gewoon actie-films. De verbeelding van het geweld vindt voornamelijk plaats in de mise-en-scene, niet via montage (of special effects). Het tempo kan dus ook redelijk laag liggen. Misschien raar om te zeggen, maar vergeleken met big budget cinema zien we hier nog een wereld op gewoon 'menselijke' schaal.

In Europese films mis je vaak een sense of location. In een genre-systeem bestaat die over het algemeen nog wel. Via de vaststaande clichés in locatie (politieburo, misdaadkroeg, appartement in torenflat) kan gaandeweg een gevoel voor het lokale doorsijpelen. De 'buurt' speelt in deze films nog een rol, evenals de 'straat'. Op vrij natuurlijke wijze kunnen zo grotere thema's aan bod komen, bv die van moderne techniek versus traditie.

Dit verklaart ook iets eigenaardigs aan het genre: het blijft op een bepaalde manier aan de eigen locale context gebonden. Het zijn films die niet echt 'universeel' werken; er vindt weinig 'transcendentie' plaats. Bescheidener gezegd: het zijn films die zich moeilijk op hetzelfde populaire niveau waarop ze gemaakt zijn laten exporteren. We komen ze als geïnteresseerde wereldburgers tegen op de festivals of in speciale programma's; vaak zoals nu in een late-night slot.

De eerlijkheid (maar is er een slechtere anti-climax denkbaar?) gebiedt dan ook te zeggen dat ik meer plezier beleef aan een film als Dog Bite Dog (regie: Chang Pou-Soi) -- onlangs te zien op het Amsterdam Fantastic Film Festival. Ook dit is een Hong Kong-genrefilm, maar wel een heel ambitieuze. De verbeelding van de wereld is zeer rauw-realistisch, de acteurs spelen overtuigend volkomen manische types. Een film met veel plotwendingen, waarvan de brute climax dan wel weer in de typisch melodramatische Hong Kong-stijl is.

Het geweld heeft zich hier tov de bovengenoemde films ahw verzelfstandigd: het is wreder maar ook abstracter geworden. Losgeweekt uit lokale, narratieve verbanden wordt het autonoom. Dat herkennen wij hier dan weer als art-film.

13.6.07

tennis & informatie

Nav het afgelopen tennistoernooi van Roland Garros.

Het kijken naar gravel-tennis op TV is een ervaring van ongehaastheid; de ongehaastheid van het spel op de baan deelt zich mee aan de kijker thuis. Lange partijen waar hele dagdelen ongemerkt mee heenvlieden -- zonder dat het een schuldgevoel oplevert over de vergooide tijd.

Het is een ongehaastheid die iets van het aloude privilegium van het dolce-far-niente belichaamt. Tennis als aristocratische, je zou bijna zeggen pre-kapitalistische sport. Individualistisch, maar nog zonder de dominantie van maatschappelijke productie- en groeiwaarden. Denk aan de vijf-setter waarin de beslissing oneindig uitgesteld lijkt te kunnen worden. Onpraktisch. In doelloosheid spiegelt zich de vrijheid af.

Vooral in de korte pauzes tussen de games in lijkt het of de tijd even wordt stilgezet; er daalt een soort absolute rust neer over het veld, liefst zomers-gekleurd, vroeg in de middag.

Het is een wonder dat die pauzes überhaupt nog op TV voorkomen. Bij de commerciëlen worden ze gevuld met reclame; op Ned 1 nog niet.

De tendens is duidelijk om het beeld zo veel mogelijk op te leuken. Vreemd uitgedost publiek op de tribunes is gewild; ze herkennen zichzelf in beeld en zwaaien. Slagenwisselingen worden herhaald met rock eronder: wanneer is dat in godsnaam begonnen? Het imago van tennis is definitief veranderd: van een klassieke, elitaire sport naar een populistisch, explosief spel. Men begint onder performance iets te verstaan dat meer behelst dan alleen de sportieve kant van de zaak. Top-tien spelers worden automatisch een mediaal merk. Knappe speelsters mogen actrice worden. De cultus van jeugd, sexuele aantrekkingskracht en succes wordt ook hier gevierd.

Emancipatie mag best plat zijn. Maar de druk van de commodificatie valt af te lezen aan de beeldvoering. Meer camera's. Tijdens rally's niet meer alleen dat klassieke hoge standpunt vanaf één kant van de baan, maar veel variatie. Daardoor wordt het kijken meteen veel onrustiger. Men doet soms ook snel nog wat publieks-shots tussen de rally door; vroeger mocht dat alleen tijdens de pauzes, en dan met mate. Zelf-reflexieve shots: de zwaaiende cameraman in de gigantisch hoge mast, vervolgens de zwaai van zijn camera die in bird's eye view de omgeving scant.

Het organisch-natuurlijke beeld van de werkelijkheid versplintert tot iets kunstmatigs: er ligt niets meer achter de beeldfragmenten. Fragmenten kunnen namelijk beter vermarkt worden.

Zo is sinds de jaren 70 met haar professionalisering, hogere prijzengelden, merkkleding, en het loslaten van de houten rackets, gaandeweg en onomkeerbaar het beeld van de sport door-geëvolueerd. Maar de geschiedenis kent zo haar eigen streken; die we dan weer met het idioom van de sport kunnen benoemen als 'verrassende come-back'. Het symbolische domein heeft namelijk sinds een paar jaar in de vorm van informatie 'hard teruggeslagen' tegen het beeld.

De sport-informatie is gerationaliseerd. De aangeleverde informatie is dankzij de achterliggende research en databases preciezer, technischer, alomvattender. Inherent aan rationalisering is kwantificering: de wedstrijd wordt live in statistische gegevens opgeknipt. Service percentages, onnodige fouten. Het digitaal geheugen is standvastig en slaapt nooit. Alles wordt voor de kijker gemeten en meteen verdisconteerd. Alles wordt opgeslagen en kan dan weer gekoppeld worden. Statistische patronen worden zichtbaar; de individuele kanten van het spel worden onttoverd.

Het lijkt niet eens zo onwaarschijnlijk dat er op een bepaald moment een soort 'metend-kijken' ontstaat. Dat we onze waardering voor een speler afmeten aan de mate waarin zijn spel afwijkt van de op lichamelijke preferenties en gemiddelden gebaseerde voorspellingen.

Esthetisering van de politiek of politisering van de esthetiek?

Wat betekent dit voor de rol van de commentator in dit alles? Dat die verandert is evident. Zijn bevoorrechte positie als insider (ter plekke, op de baan) is aan erosie onderhevig. De kijker kijkt met de informatie die over het scherm rolt mee, kan kritisch worden. De trend om ex-profs voor het commentaar in te huren is dus niet geheel onlogisch: de ex-prof is de natuurlijke bondgenoot van de gerationaliseerde sport-info. De ex-prof ziet dingen die je zelf niet ziet en als je hem niet gelooft zijn daar de statistieken.

Zo doet het jargon van de Amerikaanse trainers ('game-plan' ed) zijn intrede in de wereld van de tennis verslaggeving. De nuchtere Jacco Eltingh is hierin het meest radicaal: zijn perspectief is 100% realistisch, 'wetenschappelijk' (wetenschappelijk dan in de zin van zoiets als bewegingswetenschappen). Hij denkt echt alleen nog maar in percentages.

Op het afgelopen Roland Garros vond ik Jan Siemerink het prettigst. Siemerink heeft ergens iets van een quirky persoonlijkheid. Hij valt trouwens vaak zomaar tijdenlang stil en moet dan door Marcella Mesker met een "Jan?" weer bij de les gehaald worden. Die samenwerking met Mesker liep prima: zij meer voor de eerste indrukken, die dan door hem geduid konden worden -- een huwelijk, zoals ze zelden meer gemaakt worden. Mesker is een beetje een vreemde overgangsverschijning. Zelf ex-prof, hanteert ze toch die typische jaren 80 stijl van de commentator-als-leek: vooral op human interest gericht met een soms afgrijselijk de plank misslaan wat betreft spelbeeld. Die stijl is gelukkig vrijwel uitgestorven, mede dankzij de betere informatie: daardoor kun je niet meer zonder gezichtsverlies onder een bepaald niveau zakken.

Interessant was vooral hoe het níet liep tussen Siemerink en een voor mij nieuwe naam, Jan Roelfs (?). Die laatste vertegenwoordigt de hegemoniale stijl van de voetbal-verslaggeving. Zeer dwingend aanwezig. Luid opsommend wat er allemaal in beeld te zien is. Die traditie van net doen of de kijker blind is. Komt er bv een herhaling van een volley, dan meteen: "ja, wat een geweldige volley is dit.... ongelofelijk gewoon". En vervolgens nog minutenlang daarop terugkomen. Terwijl in het tennis juist de schijn vaak bedriegt.

Roelfs dus: zich inlevend vanuit de toeschouwer, als toeschouwer; waar Siemerink juist probeert er vóór de toeschouwer te zijn, als interpretator. Roelfs wist vaak niet beter dan de in beeld verschijnende statistieken nog eens nadrukkelijk te vermelden. Service percentage 58 % alsof het om een dodental in Irak ging. Siemerink vroeg zich dan nog wel eens af wat die statistieken betekenden, had het vaak al over bepaalde patronen in de partij voordat de desbetreffende statistieken door beeld rolden.

Bij Roelfs mag het niet stil blijven: hij vult de lucht. Daarmee drukt hij Siemerink vaak helemaal weg. En met hem de hele traditie van op stilte geörienteerd tennis-commentaar. Dat hield in de pauzes tussen games altijd even een moment in, en begon dan ahw lichtjes fluisterend om de spelers maar niet te storen. Roelfs is van het event-commentaar: het moet wel een gebeurtenis worden, zo'n partij, op welke manier ook. Vandaar die overslaande stem.

2.6.07

superstructure de blague

In de reeds gememoreerde Infowarroom van 30 mei probeerde men een gesprek te krijgen met de Soedanese journalist Sami Al Hajj. Maar de video-verbinding kwam maar niet tot stand. Ook andere pogingen via skype en zelfs gewone telefoonlijn mislukten. Besmuikt gegrinnik.

Wat ligt eigenlijk aan de basis van ons vertrouwen in het geruisloos functioneren van de media: technologie of ideologie?

BNN maakt een show rond een donor-nier. Het blijkt een grap. De grap is dat het probleem van 1400 Nederlanders zonder nier via het format van morele chantage mondiaal opzien baart.

De grap van Infowarroom, die, subtieler, juist niet op het laatste moment werd onthuld, was deze: Sami Al Hajj zit vast in Guantanomo Bay. Hij werd als journalist in dienst van Al Jazeera in 2001 in Pakistan opgepakt en wordt nog steeds zonder enige vorm van proces gevangen gehouden. (Maar zie de website van De Balie voor relevante links.)

Voor de goede verstaander valt er om de media veel te lachen.
Wie niet wil horen, kan altijd nog per sms participeren.

infowarroom vs de politiek

Twee avonden in de Balie. Hoe presenteer je lezingen in een modern jasje?

Infowarroom (30 mei) doet aan mediatheorie. Vorm en inhoud zijn hetzelfde. Want mediaal. Verstrooiing. Pas de dag erna besef ik dat verstrooiing emancipatoir is.

Groen Links (31 mei) wilde de discussie over individu vs gemeenschap aangaan, maar hanteert het oude formaat: luisteren naar de tekst van de politicus die aan het woord is.

-Wat is revue-stijl in de politiek?

Een hoop verplicht gelach bij obligate grappen. Gepersonaliseerde inside jokes vinden gretig aftrek, dat overbrugt de afstand. Maar de hierarchie weegt zwaar in het achteraf zaaltje. Degene die op het podium zit hoeft niet te antwoorden. Of blijft gewoon net zo lang doorpraten tot de zaal stilvalt.

-Wat is inhoudelijkheid zonder vermittlung?

Als een of twee oud-marxisten in de zaal toch eens iets roepen over ongelijke inkomens, weet iedereen dat het niet serieus bedoeld is.
De termen 'bovenbouw' en 'onderbouw' (sic) kunnen alleen ironischerwijs worden aangehaald. Dat staat flexibel.

-Emotie-tv zonder tv?

De obligate bewondering voor de ouderwetse opbouwwerker in den lande.
Dan datgene waar iedereen op gewacht heeft: hoerenlopen/prostitutie. Hoe irrelevanter het onderwerp, des te meer emoties weet het los te maken.

Ik geloof dat zelfs Dick Pels (Stichting Waterland) wel voelde voor een nieuwe 'moralisering' in de politiek.

Ik vraag me af: Nieuw Links wil graag meedoen met normen en waarden. Maar zonder nieuwe gedachten over de economie. Kan dat?

-Dwang van het concrete?

Links-liberalisme, wat is dat? Het Femke Halsema-woord mag vooral niet vallen. De politici gaan al snel op zoek naar voorbeelden uit de praktijk "om het wat concreter te maken". Dat blijkt voor de mensen 'uit het veld' toch moeilijker dan gedacht.

Maarten van Poelgeest draagt een concreet voorbeeld aan: is het goed dat een moskee subsidie krijgt om zélf taallessen te geven?

Interessante vraag. Men wil het toch liever over prostitutie hebben.

-Een verstrooide receptie?

Mijn gedachten dwalen af. Ik denk aan een bepaalde moskee in Amsterdam: 2 miljoen nog bovenop de subsidie. Aan de dichtgeslibde woningmarkt: te veel sociale huurwoningen + te dure nieuwe koopwoningen = een patstelling.

Maar daarvoor heeft Den Haag gelukkig een zeer concrete oplossing bedacht: privatisering van de woningbouwcoöperaties.

Dus wat er verandert, verandert ten kwade.