Nav het afgelopen tennistoernooi van Roland Garros.
Het kijken naar gravel-tennis op TV is een ervaring van ongehaastheid; de ongehaastheid van het spel op de baan deelt zich mee aan de kijker thuis. Lange partijen waar hele dagdelen ongemerkt mee heenvlieden -- zonder dat het een schuldgevoel oplevert over de vergooide tijd.
Het is een ongehaastheid die iets van het aloude privilegium van het dolce-far-niente belichaamt. Tennis als aristocratische, je zou bijna zeggen pre-kapitalistische sport. Individualistisch, maar nog zonder de dominantie van maatschappelijke productie- en groeiwaarden. Denk aan de vijf-setter waarin de beslissing oneindig uitgesteld lijkt te kunnen worden. Onpraktisch. In doelloosheid spiegelt zich de vrijheid af.
Vooral in de korte pauzes tussen de games in lijkt het of de tijd even wordt stilgezet; er daalt een soort absolute rust neer over het veld, liefst zomers-gekleurd, vroeg in de middag.
Het is een wonder dat die pauzes überhaupt nog op TV voorkomen. Bij de commerciëlen worden ze gevuld met reclame; op Ned 1 nog niet.
De tendens is duidelijk om het beeld zo veel mogelijk op te leuken. Vreemd uitgedost publiek op de tribunes is gewild; ze herkennen zichzelf in beeld en zwaaien. Slagenwisselingen worden herhaald met rock eronder: wanneer is dat in godsnaam begonnen? Het imago van tennis is definitief veranderd: van een klassieke, elitaire sport naar een populistisch, explosief spel. Men begint onder performance iets te verstaan dat meer behelst dan alleen de sportieve kant van de zaak. Top-tien spelers worden automatisch een mediaal merk. Knappe speelsters mogen actrice worden. De cultus van jeugd, sexuele aantrekkingskracht en succes wordt ook hier gevierd.
Emancipatie mag best plat zijn. Maar de druk van de commodificatie valt af te lezen aan de beeldvoering. Meer camera's. Tijdens rally's niet meer alleen dat klassieke hoge standpunt vanaf één kant van de baan, maar veel variatie. Daardoor wordt het kijken meteen veel onrustiger. Men doet soms ook snel nog wat publieks-shots tussen de rally door; vroeger mocht dat alleen tijdens de pauzes, en dan met mate. Zelf-reflexieve shots: de zwaaiende cameraman in de gigantisch hoge mast, vervolgens de zwaai van zijn camera die in bird's eye view de omgeving scant.
Het organisch-natuurlijke beeld van de werkelijkheid versplintert tot iets kunstmatigs: er ligt niets meer achter de beeldfragmenten. Fragmenten kunnen namelijk beter vermarkt worden.
Zo is sinds de jaren 70 met haar professionalisering, hogere prijzengelden, merkkleding, en het loslaten van de houten rackets, gaandeweg en onomkeerbaar het beeld van de sport door-geëvolueerd. Maar de geschiedenis kent zo haar eigen streken; die we dan weer met het idioom van de sport kunnen benoemen als 'verrassende come-back'. Het symbolische domein heeft namelijk sinds een paar jaar in de vorm van informatie 'hard teruggeslagen' tegen het beeld.
De sport-informatie is gerationaliseerd. De aangeleverde informatie is dankzij de achterliggende research en databases preciezer, technischer, alomvattender. Inherent aan rationalisering is kwantificering: de wedstrijd wordt live in statistische gegevens opgeknipt. Service percentages, onnodige fouten. Het digitaal geheugen is standvastig en slaapt nooit. Alles wordt voor de kijker gemeten en meteen verdisconteerd. Alles wordt opgeslagen en kan dan weer gekoppeld worden. Statistische patronen worden zichtbaar; de individuele kanten van het spel worden onttoverd.
Het lijkt niet eens zo onwaarschijnlijk dat er op een bepaald moment een soort 'metend-kijken' ontstaat. Dat we onze waardering voor een speler afmeten aan de mate waarin zijn spel afwijkt van de op lichamelijke preferenties en gemiddelden gebaseerde voorspellingen.
Esthetisering van de politiek of politisering van de esthetiek?
Wat betekent dit voor de rol van de commentator in dit alles? Dat die verandert is evident. Zijn bevoorrechte positie als insider (ter plekke, op de baan) is aan erosie onderhevig. De kijker kijkt met de informatie die over het scherm rolt mee, kan kritisch worden. De trend om ex-profs voor het commentaar in te huren is dus niet geheel onlogisch: de ex-prof is de natuurlijke bondgenoot van de gerationaliseerde sport-info. De ex-prof ziet dingen die je zelf niet ziet en als je hem niet gelooft zijn daar de statistieken.
Zo doet het jargon van de Amerikaanse trainers ('game-plan' ed) zijn intrede in de wereld van de tennis verslaggeving. De nuchtere Jacco Eltingh is hierin het meest radicaal: zijn perspectief is 100% realistisch, 'wetenschappelijk' (wetenschappelijk dan in de zin van zoiets als bewegingswetenschappen). Hij denkt echt alleen nog maar in percentages.
Op het afgelopen Roland Garros vond ik Jan Siemerink het prettigst. Siemerink heeft ergens iets van een quirky persoonlijkheid. Hij valt trouwens vaak zomaar tijdenlang stil en moet dan door Marcella Mesker met een "Jan?" weer bij de les gehaald worden. Die samenwerking met Mesker liep prima: zij meer voor de eerste indrukken, die dan door hem geduid konden worden -- een huwelijk, zoals ze zelden meer gemaakt worden. Mesker is een beetje een vreemde overgangsverschijning. Zelf ex-prof, hanteert ze toch die typische jaren 80 stijl van de commentator-als-leek: vooral op human interest gericht met een soms afgrijselijk de plank misslaan wat betreft spelbeeld. Die stijl is gelukkig vrijwel uitgestorven, mede dankzij de betere informatie: daardoor kun je niet meer zonder gezichtsverlies onder een bepaald niveau zakken.
Interessant was vooral hoe het níet liep tussen Siemerink en een voor mij nieuwe naam, Jan Roelfs (?). Die laatste vertegenwoordigt de hegemoniale stijl van de voetbal-verslaggeving. Zeer dwingend aanwezig. Luid opsommend wat er allemaal in beeld te zien is. Die traditie van net doen of de kijker blind is. Komt er bv een herhaling van een volley, dan meteen: "ja, wat een geweldige volley is dit.... ongelofelijk gewoon". En vervolgens nog minutenlang daarop terugkomen. Terwijl in het tennis juist de schijn vaak bedriegt.
Roelfs dus: zich inlevend vanuit de toeschouwer, als toeschouwer; waar Siemerink juist probeert er vóór de toeschouwer te zijn, als interpretator. Roelfs wist vaak niet beter dan de in beeld verschijnende statistieken nog eens nadrukkelijk te vermelden. Service percentage 58 % alsof het om een dodental in Irak ging. Siemerink vroeg zich dan nog wel eens af wat die statistieken betekenden, had het vaak al over bepaalde patronen in de partij voordat de desbetreffende statistieken door beeld rolden.
Bij Roelfs mag het niet stil blijven: hij vult de lucht. Daarmee drukt hij Siemerink vaak helemaal weg. En met hem de hele traditie van op stilte geörienteerd tennis-commentaar. Dat hield in de pauzes tussen games altijd even een moment in, en begon dan ahw lichtjes fluisterend om de spelers maar niet te storen. Roelfs is van het event-commentaar: het moet wel een gebeurtenis worden, zo'n partij, op welke manier ook. Vandaar die overslaande stem.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
1 opmerking:
wat ik zocht, bedankt
Een reactie posten