30.9.07

Greenspan & het recht om het bij het verkeerde eind te hebben

Alan Greenspan, voormalig baas van de Amerikaanse centrale bank, 81 jaar, publiceert zijn memoires. Voor een gage van 8,5 miljoen.

De man die zo'n 20 jaar lang zijn stempel kon drukken op de mondiale economie koketteert nu met zijn klunzigheid. Die beruchte belastingverlaging was natuurlijk wat onhandig, want helemaal niet zo bedoeld -- maar is belastingverlaging niet per definitie belastingverlaging voor de rijken, waarvan de armen niet meeprofiteren?

Hoe klunzig ook, 20 jaar neo-liberalisme heeft de elite geen wind-eieren gelegd.

De man die zo'n beetje de physiognomie van Henry *misdaden tegen de menselijkheid* Kissinger heeft overgenomen, presenteert zich hier als het type van de schlemiel. Een economische nerd op een toppositie heeft op de een of andere manier vaak de behoefte zijn sociale onaangepastheid en fysieke lelijkheid voor het voetlicht te brengen. Uit koketterie. De markt is met menselijk gezicht al onmenselijk genoeg.

Het grote nieuws is níet dat Greenspan hoger van Clinton opgeeft dan van Bush. Maar dat hij aan het einde van een lange carriere enkele kanttekeningen bij het marktdenken wil plaatsen. Er zijn inderdaad schadelijke uitwassen. Die topsalarissen. Het materialisme is tegenwoordig te ver doorgeslagen. Rijkdom is ook niet alles; je koopt er geen geluk voor.

Dergelijke uitspraken van mensen die hun hele leven voor neo-liberale instellingen hebben gewerkt, zouden in de media verboden moeten worden. Er zou een auteursrecht op kritiek op het marktdenken moeten komen, een soort biologisch kwaliteits-keurmerk: "uitspraak niet neo-liberaal geïnfecteerd".

Dat geldt ook voor al op jongere leeftijd van hun geloof gevallen neo-liberalen. Hoeveel 'anders-globaliseren'-boeken zijn niet geschreven door ... voormalige Wereldbank-medewerkers? Dat moeten we niet meer serieus nemen. Het moet helder zijn: wie niet voor ons is, is tegen ons.

knipselarchief van een verloren zomer

im arbeit

meme (II)

De beweging van de brights. Richard Dawkins legt de bedoeling hier uit:

http://books.guardian.co.uk/review/story/0,12084,981412,00.html

(Er staat overigens een iets kortere versie op: http://www.the-brights.net/. Waarom niet die lange? Vanwege dat rare begrip 'meme' waarschijnlijk.)

De achterliggende gedachte is dus: een positief woord te creëren voor alle mensen die een naturalistisch wereldbeeld aanhangen, naar analogie van het woord gay voor homosexuelen. Bright als een up-word tegenover het met negatieve connotaties bezette atheïst.

Maar de keuze voor het woord bright is geen gelukkige. Laten we wel wezen: I am a bright... het werkt gewoon niet.

En dat heeft te maken met conceptuele slordigheid.

Allereerst lijkt het me dat Dawkins de volgorde omdraait: het woord gay kon pas tot een zelfstandig naamwoord worden (I am a gay), nadat het eerst als adjectief was toegeëigend (I am gay). Dawkins redeneert voor bright echter precies andersom: eerst moet er een nieuw zelfstandig naamwoord komen (I am a bright: ik ben een naturalist), en daarna --"als de meme succesvol is"-- kan de eigenlijke bijvoeglijke betekenis van bright ook weer gaan meewegen (slim, intelligent, helder van geest).

Dat klopt natuurlijk niet. Het is ook niet voor niets dat dat bright op zoveel mensen als 'superieur' overkomt. De détournage van het woord is niet van dezelfde orde als die van gay. Dawkins ziet over het hoofd dat het bijvoeglijk naamwoord gay (vrolijk, exuberant) juist in negatieve zin gebruikt werd voor het gedrag van homosexuelen ('verwijfd'). En het is deze negatieve betekenis die men dan appropriëert: jij vindt mij gay? weet je wat: ik ben gay! Door het negatieve etiket als geuzennaam aan te nemen worden de rollen omgedraaid.

Het gaat dus om een politieke taal-daad, vergelijkbaar met het zich toeëigenen van het woord 'nigger' door de zwarte beweging in de jaren 70. Maatschappelijke anerkennung kan worden afgedwongen precies daar waar mensen symbolisch worden buitengesloten. De woorden die gebruikt worden om een groep te kleineren ('het is maar een nigga, die heeft geen rechten') benoemen ahw huns ondanks ook een subject dat als zodanig recht van spreken heeft ('ik ben díe nigga, ik besta').

Iets negatiefs wordt dus iets positiefs. Dat kan zelfs, unbeknownst to Dawkins, bij een volgens hem zo beledigende term als queer: de academische Queer Studies in de USA zijn er het bewijs van. Maar bij bright kan het nu net niet, omdat die term zelf positief is en mogelijk juist anderen negatief etiketteert (de dommen).

Bright is dus flut. Wat was een beter woord geweest? Het enige wat ik zo snel kan bedenken is: brainy. Waar dat nu nog een puur negatief etiket voor de intellectueel of het intelligente kind op school is (brillendragend, onatletisch, nerdy), zou het een heel nieuwe betekenis kunnen krijgen: de naturalistische. Onze breincellen als natuur. Brainy: ik hoef helemaal niet in bovennatuurlijke entiteiten te geloven. Denk ook aan Dennett: consciousness explained.

Of in het Nederlands: bijdehand.

meme (I)

In de blogo-sfeer zingt een citaat rond van de atheïstische wetenschapper Steven Weinberg:

Good people will do good things, and bad people will do bad things. But for good people to do bad things --- that takes religion.

In alle eenvoud wordt hier de vinger op de zere plek gelegd. Laat gelovigen eerst hier maar eens op antwoorden voordat ze een discussie over atheïsme willen aangaan.
En een antwoord zal nog niet zo eenvoudig zijn.
Zo klinkt het bv veel minder overtuigend als de termen worden omgedraaid, dus:
Bad people will do bad things, and good people will do good things. But for bad people to do good things --- that takes religion.
Waarom is dit niet hetzelfde?
Religie heeft de aanspraak er voor alle mensen te zijn; zo lijkt het echter alleen om de slechte mensen te gaan, religie als een heropvoedings-cursus voor criminelen. Dat kan best nuttig zijn, maar het is een vorm van maatschappelijke temming die ook door andere instanties gedaan zou kunnen worden. (Of het moet zo zijn dat alleen religie dezelfde taal spreekt als de crimineel, dwz op hetzelfde geestelijke niveau staat: primitief, kinderlijk-egoïstisch, autoriteits-behoeftig...)
Het verschil in betekenis tussen de twee versies zit hem vooral in de effectiviteit van de 'bekering' ('to do X, that takes religion'). Intuïtief voel je aan dat het bekeren van een goed mens iets heel anders is dan het bekeren van een slecht mens. Je kunt je zelfs afvragen in hoeverre een slecht mens werkelijk een goed mens wordt door (opeens) in god te gaan geloven. Een religieuze bekering van een goed mens daarentegen betekent echt iets, daar vindt een werkelijke en onherroepelijke verandering in een mens plaats, maar niet ten goede.

Een andere tegenwerping zou kunnen zijn: maar je kunt voor religie net zo goed ideologie invullen, denk aan de Nazi's en Communisten, die zijn veel erger. Dus:
Good people will do good things, and bad people will do bad things. But for good people to do bad things --- that takes ideology.
Dat is zeker waar.
Maar het probleem blijft toch bij de gelovigen liggen: want deze definitie van ideologie sluit namelijk ook weer religie in: religie verschilt hierin niet wezenlijk, hooguit relatief, van politieke ideologieën waarin mensen blind gaan geloven.
Dwz, als men bestrijdt dat religie een ideologie is, moet men eerst het Weinberg-citaat over wat religie doet kunnen weerleggen.

just like david harvey said...

komt eraan

leestip voor allochtonen

hier komt een stukje over Strindberg

bos tapes -- revisited

Ik kom nog even terug op dat moment aan het eind van de Wouter Bos Tapes docu-serie: Bos zegt dan dat er met een nederlaag misschien wel beter valt te regeren.
Een nu al klassiek moment in de recente parlementaire geschiedenis.

Maar waarom vraagt de interviewster hier eigenlijk niet door? Dat is onvergeeflijk.

Er is een vreemde trend gaande in de manier waarop men momenteel tv-portretten maakt. Het is so-wie-so emotie-tv, dus alles wordt 'getoond' zonder interpreterende kaders (bv een intelligente voice-over). Maar die emotionele aanpak begint nu ook de inhoud van interviews aan te tasten, de zinnen zelf. Wat gezegd wordt wordt als taalhandeling geëmotionaliseerd. Door ze in van die nadrukkelijke, veelbetekenende stiltes in te bedden.

De tijd van kritische interviews is voorbij. Het zíjn in feite ook helemaal geen interviews meer. Er vallen in het gesprek onophoudelijk gaten, de geïnterviewde wordt geacht zélf door te praten, via zijn eigen associaties. De vragen gaan niet in op wat er gezegd wordt; de interviewer denkt niet mee. De geïnterviewde is zo in de weinig benijdenswaardige situatie dat hij helemaal alleen is. Dat hij zijn eigen grapjes moet inkoppen, ahw nog over de interviewer heen.

Als de geïnterviewde door het gebrek aan feed-back dan eens iets geks zegt (of liever nog: iets dat controversieel klinkt), hoor je bij wijze van spreken de makers opspringen: ze hebben hun soundbite. Dan zoomt men wat in op het gezicht van de geïnterviewde. Vaak valt die even stil, enigszins geschrokken misschien door wat hij zich zojuist heeft laten ontvallen. De stilte wordt voelbaar. Na o zo lange seconden spreekt dan de interviewster vol invoeling dat totaal nietszeggende "ja....." uit, ...... waarna er weer een lange stilte volgt, ....... en misschien nog eens een "ja......." van de kant van de geïnterviewde. Wat valt er ook te zeggen bij de peilloze diepte van het universum? Daar zijn gewoon geen woorden voor. Laten wij aanbidden......

PS I: een geval apart is de nare interviewstijl van Felix Rottenberg. Eerst de hele tijd lomp interrumperen om dan aan het einde van de uitzending volslagen willekeurig die diepzinnige stilte-truc toe te passen. Als je er op let geeft het koddige resultaten: een met veel dramatiek ingeklede slotzin die thematisch voor het hele gesprek moet staan, maar vaak van het niveau is: o ja, dat wilde ik ook nog zeggen, toen jij me in de rede viel...

PS II: een geval apart is het constante "ja......" van Joris Luyendijk in Zomergasten. Een door die veelvuldigheid zeer gedifferentieerd gebruik, afhankelijk van de gast in kwestie. Bij Rinnooy Kan drukte het -onmachtig- een soort voorbehoud uit: een gevoel van twijfel aan de steekhoudendheid van het Rijnlandse model, waar Luyendijk argumentatief niets tegen in te brengen had. Bij Linda de Mol dan weer op de bovengenoemde manier. Door de lengte van het programma ging haar op een gegeven moment óók een lichtje op. Maar ze had gewoon echt niets te melden.

onttovering van de tour -- revisited

Ik had het natuurlijk helemaal mis. Doping was cruciaal.

Een broos evenwicht werd verstoord. Iedereen weet dat succes in sport uiteindelijk teruggaat op een vorm van ongelijkheid. De biologische ongelijkheid die we van onze afkomst hebben meegekregen. Wat mogelijk is voor een sporter hangt af van zijn lichaam; er zijn beperkingen waar zelfs Amerikaanse trainings-schema's niets aan kunnen verhelpen.

De vraag is nu: waarom kan sport bij het grote publiek zo aanslaan als het eigenlijk een vorm van ongelijkheid betreft? Omdat er concurrentie is tussen een paar kampioenen die bijna gelijkwaardig zijn. Juist hier, bij bijna gelijke kracht, treedt het kleinste inviduele verschil als een waarlijk individueel en tegelijk algemeen menselijke kwaliteit naar voren.

De kampioen kan in zijn prestatie karakter tonen, juist omdat hij niet meer gehinderd wordt door de lichamelijk/technische beperkingen waar het peloton knechten mee te maken heeft. Zijn prestatie is individueel, die van het peloton blijft collectief.

Iedereen weet dat wielrennen lichamelijk de zwaarste sport is, dat het in feite een onnatuurlijk zware sport is, en dat het lichaam dus aan technische programma's in welke vorm dan ook onderworpen zal worden om zo goed mogelijk te presteren.

Doping kan hier eigenlijk geen kwaad. Dat is echter aan één voorwaarde verbonden: doping kan geen kwaad zolang het niet de verdeling van de sport in toppers en peloton in de war gooit.

Het gevaar van doping is dat het democratiseert. Een knecht kan de tour winnen. En dat bederft ons plezier. Dan vindt er een totale ontwaarding plaat van ons begrip van individuele prestatie.

Zo verklaren we ook waarom Michael Boogerd nooit een tragische held kan worden.

De meeste sporten kennen een verdeling in een top-tien, top-twintig die alle grote prijzen pakt met daaronder een massa ploeteraars (Pareto's 80/20 ratio komt in gedachten). [Dat functioneert trouwens ook in cultureel opzicht goed: je kunt niet over 200 wielrenners interessante karakterschetsen schrijven, met 20 gaat dat een stuk beter.]

Michael Boogerd behoort tot de massa der ploeteraars. Hij heeft het knechtschap ook als de voor hem passende plaats in de natuurlijke rangorde aanvaard. Zelfs zijn vader geloofde niet dat hij nog eens een belangrijke cours zou pakken ('al zit hij natuurlijk wel altijd bij de voorsten').

Het merkwaardige van de Nederlandse media is nu dat ze net doen of Boogerd opeens wel tot die top-twintig behoort die de prijzen verdeelt, terwijl ze eigenlijk beter weten.

Zo ontstaat zoiets als dat tenenkrommende binnenhalen van Boogerd als tragische held. Zijn afscheid van de wielersport door Rasmussen de grond ingeboord. Allemaal lariekoek. Knechten kunnen geen helden zijn, ze zijn daarvoor niet geindividualiseerd genoeg: vandaar ook altijd die strategische 'domheid' van Boogerd in finales.

Iets anders werd ook steeds duidelijker: dat het leven van een knecht in de wielrennerij over rozen gaat. In feite verdienen die knechten een gigantisch salaris zonder veel prestatie-druk. Ze hoeven alleen maar de kampioenen naar voren toe te rijden. Maw er lijkt in de wielersport een te klein speelveld te zijn, waardoor de knechten nauwelijks enige opwaartse druk voelen van de concurrentie van beneden.

Daarom geloof ik Boogerd als hij op zijn blauwe ogen verklaart nooit doping te hebben gebruikt.