27.4.07

reli rock (2006)

1. J Mascis & Friends, Sing and Chant for Amma.
De elektrische gitaar-solo, de meest expressieve uitdrukking van westerse subjectiviteit denkbaar, weet hier samen te gaan met oosters mantra-gezang en akoestisch getokkel, waarvan het doel toch moet zijn het subject van zijn subjectiviteit te verlossen. Dit is even subliem onbegrijpelijk als de kopstoot van Zidane.


2. At the Close of Every Day, De Geluiden van Weleer.
Ik heb het altijd merkwaardig gevonden dat er in de Nederlandse indie nooit ook indie gezongen wordt. De zangstijl blijft toch altijd bepaald door de overdreven articulatie van de commerciële rock, zelfs bij de dames; de zanger(es) blijft voor de muziek staan, als een selbst-setzend subject, orakelend als H van der Lubbe, klagend als Anouk. De indie gedachte behelst onder meer dat het subject juist in de muziek opgaat, zichzelf oplost, zich de-subjectiveert.

Dat was het leuke van At the Close of Every Day: de mompelzang. Hoe rudimentair ook, en hoewel erg tegen Amerikaans voorbeeld Idaho aanleunend, hier was dan eindelijk zachte praatzang, lichtjes onverstaanbaar, het gemompelde equivalent van gefluister. En meteen opende zich de nog onontgonnen wereld van introspectie en introvertie in de Nederlandse indie.

Wat is er gebeurd? Op de nieuwe plaat zingen ze opeens in het Nederlands -- wat goed is --, maar je verstaat ook bijna alles -- wat niet goed is. Het reultaat is uiterst ongelukkig: relirock van de kleigrond. In toon en tongval gereformeerd, prijst men de dagen van weleer.

Waar komt dit verlangen naar de goede oude tijd van vóór de ontzuiling, naar gereformeerde normen en waarden vandaan? Het is toch nostalgie naar iets dat niemand werkelijk heeft meegemaakt.

Frans Kellendonk bedacht ooit het oprecht veinzen. Dat idee had veel succes. Er moet denk ik sprake zijn van iets generationeels. De generatie van Kellendonk is nog opgevoed door 'zwaar' gelovige ouders, maar heeft zichzelf relatief gemakkelijk van dat zware geloof kunnen emanciperen. Dan kan er op zeker moment nostalgie ontstaan naar die verloren wereld van ouderlijke zekerheden waarin het geloof zo vast verankerd was. Neem je die nostalgie al te serieus dan wordt het een kwestie van oprecht veinzen.

Momenteel hebben we te maken met een generatie die is opgevoed door 'licht' gelovige ouders. Waarbij ik 'licht' en 'zwaar' bedoel in sociologische zin: het gaat om de mate waarin het individu is ingebonden in de sociale/institutionele verbanden van religie. Je kunt nu heel prettig gelovig zijn zonder de zondagse kerkdwang. Je voedt je kinderen zo vrijblijvend in het geloof op dat ze zich eigenlijk niet eens meer hoeven te emanciperen. De kinderen stellen zelf proefondervindelijk vast dat het inderdaad niets uitmaakt dat je gelovig wordt opgevoed. Je zacht-gelovige ouders voeden niet beter of slechter op dan de zacht-atheïstische buren. Christen-jongeren zijn echt normaal, ze hoeven niet meer gepest te worden op school want ze onderscheiden zich werkelijk niet meer van de anderen. Dit betekent in hogere zin: Geloof maakt geen verschil!

De Geluiden van Weleer laat horen wat er gebeurt als deze weldoorvoede generatie dan toch door gereformeerde nostalgie bevangen wordt. Precies het omgekeerde van oprecht veinzen: onoprecht geloof. Geloof maakt geen verschil, maar toch geloof ik. Dan werkt het beter in iets te geloven dat allang niet meer bestaat: die geweldige jaren 50.


3. Low, The Great Destroyer.
Al bij het debuut wisten we dat dit ex-Mormonen zijn. Dat gaf een bepaalde authenticiteit aan Low's serieuze benadering van de wereld. Verder leek het weinig relevant. De slowcore had een noisy verstilling die nergens in religieuze zaken bleef hangen, maar eerder iets opriep van Freud's 'oceanische' gevoel.

Maar toen kwamen Secret Name en Things We Lost in the Fire... Onvoorstelbaar: pure reli-rock! Alsof ze inderdaad rond het kampvuur liedjes zingen. Als ik me goed herinner is er een nummer dat erover gaat dat je bij ziekte van een kind meer op god dan op de medische wetenschap moet vertrouwen... (Ex)-Mormonen zijn niet van deze wereld... (Kunnen gelovigen ooit echt van hun geloof afvallen?)

Hoe kwam dat opeens? De (non)-productie van Steve Albini op deze beide platen speelde mee: back to basics. Je hoorde nu onverbloemder wat die basis was: een door extreme verlangzaming geabstraheerde blues met community-singing. Steeds weer ging Alan Sparhawk in zang en gitaarspel de strijd met god aan over zijn zondige ziel. Zijn vrouw Mimi was dan eerder de berustende tweede stem -- het vergevende koor.

Low leek op de weg terug. Na Trust kwam The Great Destroyer met een nog duidelijker terugkeer naar de rock-song, en dus naar subjectiviteit (tegenover spiritualiteit). Er komt weer wat tempo in, wat meer luide elektische gitaren, zoemende psychedelische laagjes, pop-melodie zelfs. Het geproduceerd-zijn van deze platen schept een weidsere ruimte. De studio-productie produceert ... wereldsheid.




4. Sufjan Stevens, Illinois (maar in feite zijn gehele oeuvre).
Eerste indruk: Sympathiek maar volkomen betekenisloos.

Dan opeens het inzicht: maar, dit is het klankgeworden iets-isme!

1 opmerking:

Anoniem zei

goede start