I don't want to sleep alone is een film vol mededogen en meedogenloosheid. Tsai Ming-Liang (regie) richt zich op de onderkant van de Maleisische samenleving, zijn geboorteland. Aan die onderkant bevinden zich gastarbeiders en service-workers die als een reserve-leger van goedkope arbeidskracht het mondiale moderniseringsproces draaiende houden. Ming-Liangs vaste hoofdrolspeler is vermoedelijk ook zo'n gastarbeider die net in de stad is gearriveerd (zoals gebruikelijk wordt er niets uitgelegd en nauwelijks in de film gesproken). De film opent fraai met een straatscene waarin een groepje oplichters 'magische getallen' voor de loterij aan omstanders verkoopt. Juist de structureel kanslozen geloven in de illusies van het kansspel. Economische afhankelijkheid is voor hen alleen zo te verinnerlijken.
De hoofdpersoon wordt door de oplichters afgetuigd en vervolgens zwaar gewond op straat achtergelaten. Een passerende groep mannelijke gastarbeiders uit Bangladesh(?) ontfermt zich over hem. Een van hen verzorgt de gewonde en deelt zijn matras met hem. Het wordt allengs duidelijk dat er mogelijk meer gevoelens dan alleen barmhartigheid een rol spelen; tegelijk ontstaat er ook een voorzichtige seksuele toenadering tussen de hoofdpersoon en een vreemd meisje (ook hier weer gespeeld door de vaste actrice); dus een soort erotische driehoekssituatie. Er is ook nog een soort (Mozartiaanse?) verdubbeling in de verhaallijn, maar minder abstract dan in Ming-Liangs vorige film. Heel subtiel verschuift het perspectief van economische naar persoonlijke ontworteling. De film toont de 'authentieke' solidariteit aan de onderkant van de samenleving, midden in de vervreemding zogezegd. Maar ook dat die solidariteit altijd dialectisch verbonden moet zijn met een grotere psychische 'behoefte' aan intimiteit. Zo worden de economische slaven ook slaaf van hun verlangen.
Het draait bij deze regisseur natuurlijk altijd om de tamelijk abstracte categorie 'menselijkheid'. Of liever, 'menselijkheid onder het kapitalisme'. Zijn films zijn in wezen gericht op het innerlijk van de mens, al houden ze halt bij de zichtbare uiterlijke grens van gezichten, lichamen en sociale ruimtes. Ook hier weer de long-takes. Wat mij bij deze film bij die long-takes vooral opviel was het belang van de camera-afstand tot de personages. Die afstand is niet ver, noch te dichtbij, niet voyeuristisch maar wel intiem. Ahw een kijken vanuit mede-menselijk perspectief: vandaar dat die blik zowel medogenloos als vol mededogen kan zijn.
Het draait bij deze regisseur natuurlijk altijd om de tamelijk abstracte categorie 'menselijkheid'. Of liever, 'menselijkheid onder het kapitalisme'. Zijn films zijn in wezen gericht op het innerlijk van de mens, al houden ze halt bij de zichtbare uiterlijke grens van gezichten, lichamen en sociale ruimtes. Ook hier weer de long-takes. Wat mij bij deze film bij die long-takes vooral opviel was het belang van de camera-afstand tot de personages. Die afstand is niet ver, noch te dichtbij, niet voyeuristisch maar wel intiem. Ahw een kijken vanuit mede-menselijk perspectief: vandaar dat die blik zowel medogenloos als vol mededogen kan zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten