Onlangs tijdens de uitverkoop van twee platenzaken flink toegeslagen. Zo'n 25 cd's voor 5 euro p/s. Dat was een tijd geleden, in platenzaken kom ik nog maar zelden. En koortsachtig stapels afgeprijsde cds langsgaan op koopjesjacht was iets van mijn studententijd. Daarna kwamen internet en (vooral) geldgebrek.
Een retro-ervaring. Psychologie van de uitverkoop.
In de jaren 90 hield die natuurlijk verband met het medium cd en de platenzaak. Je was nog afhankelijk van een materiële geluidsdrager en daarmee ook van winkels. De cd begon het aanbod te overheersen, want de LP werd stelselmatig weggedrukt. (Cassettebandjes zijn tamelijk geruisloos uit mijn leven verdwenen.) Terugkijkend was er die jaren vóór internet dus even een periode zonder enige vorm van 'mechanische reproductie'. Die schaarste creëerde ernstige verzamelwoede. Een tijdje wilde ik uit bezitsdrang iets goeds zowel op LP als op cd hebben. Cd's waren natuurlijk idioot duur, dus het loonde sowieso om naar koopjes te speuren. Het beste was dus regelmatig de aanbiedingsbakken der platenzaken af te struinen.
Ik kocht dan zo'n stapel van minstens 10 stuks grotendeels 'blind', zonder iets van de muziek of bands in kwestie te kennen. Het was voldoende dat ik de naam wel eens in een blaadje was tegengekomen, of dat het een interessant label was, of dat het hoesje er zo leuk uitzag dat het wel eens wat kon zijn. Een aanschaf bleef altijd een gok. Dat is nu nauwelijks meer voor te stellen. Psychologisch gezien zweefde je tussen vrees en hoop. Je *wist* natuurlijk wel dat het meeste slecht tot middelmatig zou zijn (het is niet voor niets dat ze zijn afgeprijsd). Maar je bleef hopen op het tegendeel.
En er was ook werkelijk die kans op dat ene pareltje, die ene verrassing die alles goed maakte. Een door journalisten afgeschreven bandje dat geniaal blijkt (de Swirlies). Iets totaal onbekends dat je meteen in je hart sluit (de Softies). Het gevoel van bevrediging dat zo ontstaat is moeilijk te beschrijven. Alsof de godin Tyche een schat uit de diepten van de onmetelijke oceaan op het strand heeft laten aanspoelen: voor de gelukkige vinder. Psychologisch is dat een veel eenzamere situatie dan de tegenwoordige van file sharing. Maar ook bevredigender: de dingen worden zo onvervreemdbaar jouw privé-eigentum.
De belangrijkste psychologische trigger om tot zo'n aanschaf in bulk over te gaan was het vinden van één afgeprijsde cd die je so-wie-so al wilde aanschaffen - voor de volle prijs. Dat creëert een bevredigend gevoel van 'winst'. Die winst kan dan meteen worden omgezet in 'meer' muziek, die heb je er a.h.w. gratis bijverdiend. Zo schiet je dan makkelijk door in het onmatige. Is eenmaal het eerste anonieme schaap over de dam, dan moeten er meerdere volgen.
Hieronder volgt een eerste, kleine Auslese uit de stapel. Kan ik ook eindelijk eens mijn journalistieke Wille zur Macht uitleven.
--------------------------------------------------------------------------------------------
Wilderness, Vessel States (Jagjaguwar, 2006).
uitwaaierende wave-gitaar en belabberde gothic-zang; bas- en drumsectie ondermaats, hobbelen zo'n beetje achter eerste twee elementen aan. (nul sterren)
Idaho, The Lone Gunman (Retrophonic, 2005).
deze eenmans-mompel-formatie bestaat nog steeds blijkbaar; nu op zeer onbekend (Frans?) labeltje; muziek die weinig verheffend, maar ook niet storend, op de achtergrond voortkabbelt. (*)
Quasi, The Sword of God (Domino, 2004).
piano-gedomineerde slordige rock 'n roll die 'het' maar niet wil worden... Hun debuut was ooit wél leuk als ik me goed herinner. (*)
Mary Lorson & Saint Low, Realistic (Cooking Vinyl, 2005).
ex-zangeres Madder Rose gaat hier op singer/songwriter toer met piano als basis, waarbij de akkoorden helaas wel erg simpel zijn. (*)
Calvin Johnson, What Was Me (K, 2002) en Before the Dream Fades (K, 2005).
de mij altijd sympathieke Beat Happening-bariton en K-records baas verspeelt hier toch veel van zijn krediet; lelijk art-work en nu toch wel volledig ontbreken van zelf-kritiek (méérdere solo a capella nummers, come on!). Samen opgeteld net goed voor twee (**).
Mazarin, We're Already There (Bella Union, 2005).
Deze band lijkt te opereren vanuit één specifiek historisch moment, te weten de melodieuze Amerikaanse noise-rock uit 1993 (Flaming Lips t.t.v. Transmissions, Mercury Rev t.t.v. Boces, denk ook Radial Spangle). Maar de tijd is niet volkomen stilgezet, lijntjes worden doorgetrokken; naar Yo la Tengo bv, en naar de recente, post-noise Flaming Lips. Klinkt prima, hoewel weinig 'eigen'; je kunt hem veilig aan je vriendin uitlenen. (**)
The Van Pelt, Sultans of Sentiment (Gern Blandsten, 1999).
Indierock met donker tintje, hintend naar Chicago-postrock lijn. Aangename vocalen: kalm, bespiegelend, ergens tussen zang en praten in. Maar blijft toch beetje hangen; in de zacht/hard dynamiek komen de uitbarstingen niet agressief genoeg naar voren. Teveel vanuit de indierock kant gemaakt, je voelt te weinig het ritmisch gewicht (bas) van de hardcore kant. Teksten veelal vanuit een adhortatief-generational "we": "we're the rejects, we're the losers", "let's make a list, so we can feel like we're accomplishing something...", "tomorrow we'll wonder where this generation gets its priorities from", etc. (**)
Lilys, the Lilys (Rainbow Quartz, 2003).
Hun debuut In the Presence of Nothing (1992) blijft de beste My Bloody Valentine-imitatie (emulatie?) ooit. Daarna een beetje uit het oog verloren. Op deze uitgave van Precollection met bonusnummers hoor je 'mod' en psychedelische invloed, duidelijk ook Julian Cope. De plaat klinkt beter op koptelefoon dan van speakers. Dat komt misschien doordat het ondanks cleane sound toch een lo-fi productie is, geluidsbeeld is beetje vol en slordig. Er staan niettemin twee nummers op die ik niet had willen missen (Film's Camera en 356)
(**/*)
Swell, Whenever You're Ready (Beggars Banquet, 2003).
De laatste cd van Swell. Het klinkt allemaal goed, mooie atmosferische productie met 'straatgeluiden', laid-back grooves, akoestische en elektrische gitaar. Vooral de intro en het eerste nummer zijn pure magie. Daarna zakken de composities erg in, hoor je teveel dat het geen band is, maar een twee-manschap. (**/*).
Shipping News, Flies the Fields (Quarterstick, 2005).
Chicago! bij de eerste klanken hoor je het meteen, en dat heeft voor mij altijd iets van een thuiskomst. Een volwassen soort muziek. Instrumentale naast gezongen nummers. Er is tijdens de instrumentale tokkel-passages in Slint-stijl ruim voldoende spanningsboog. Toch lijkt de mompel-schreeuw-zang wel nodig, die geeft iets individueels en scherps aan de nummers. (***)
Marbles, Expo (Fargo, 2005).
Van de man van Apples in Stereo. Hier wordt late jaren 60 Britse psychedelica (luister naar dat Beatles-citaat in nummer 3!) gekoppeld aan moderne geluidjes: vocoder op stem, kinderlijke beats, goedkope synths. Het is een mini-cd en dat is maar goed ook, de verveling slaat aan het einde toe. Toch de moeite waard, al is het maar ter aanvulling van het geniale Off Montreal. (***)
The Kingsbury Manx, The Fast Rise and Fall of the South (Yep Roc, 2005).
Vanuit een Byrds/country-rock basis beweegt deze band zich richting the Shins. Pakt goed uit, afwisselend materiaal, en mooi helder geluid, vooral wat betreft de verschillende kanten van de gitaar (elektrisch en akoestisch). Alleen aan de klank van synth/farfisa/organ mag nog wel wat gesleuteld worden, klinkt wat te gewoontjes. (***)
Minus Story, No Rest for Ghosts (Jagjaguwar, 2005).
Minus Story had pech: wat ze hier brengen, een soort heerlijk kabbelende hippie-indierock, werd niet lang daarna door Grizzly Bear ook gedaan. Maar dan met betere composities en een 'voller' geluidsbeeld van meerstemmige zang en allerhande door-elkaar-heen-gemengde instrumenten. Daarbij vergeleken klinkt Minus Story opeens wat braaf. Uit sympathie voor de gekte en charmante rommeligheid van hun debuut The Captain is Dead toch (***)
Windsor for the Derby, We Fight Til Death (Secretly Canadian, 2004)
Dit is dan tot mijn verrassing dé verrassing van de stapel. Een pareltje. En hij wordt steeds beter naarmate je hem vaker hoort. Hun vroege werk was instrumentaal en geworteld in de Factory-sound (die bas, ijskoude drums) en de postpunk van eind jaren 70 (synth drones). Nu zingen ze en doen ze pop. Net als bv Oneida een zeer afwisselend palet, met behalve de reeds genoemde invloeden ook krautrock, psychedelica, new wave. Maar fundamenteel blijft steeds de distantiërende aanpak. (****)
en dan de psychologische trigger, waarmee alles begon:
Tarwater, The Needle Was Travelling (Morr, 2005). (*****). Misschien een andere keer meer over dit meesterwerk.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten